Info nu! - Bedrijfsboodschap
English
 
 
 
Waarom heeft de een wel een eindsprint in huis en de ander niet? 


Ik keek afgelopen weekend naar een schaats world cup en kreeg deze vraag voorgeschoteld 'waarom sommige schaatsers soms helemaal instorten aan het einde van hun rit en anderen hun snelheid goed vast weten te houden, of zelfs nog kunnen versnellen". Dit verschijnsel is vooral bij schaatsen goed te zien omdat verschillende type atleten dezelfde afstanden rijden. Je ziet dus en sprinters en duursporters op bijvoorbeeld een 1500 meter tegen elkaar rijden, die beide een zeer verschillende manieren van rijden en indelen van hun race hebben. 
Dit ging om schaatsen maar dit verschijnsel kun je zien bij iedere sport, lopen, fietsen, zwemmen etc.
 
Ik heb een aantal verklaringen die dit verschijnsel uitleggen. Het heeft te maken met de energiesystemen die een mens tot zijn beschikking heeft en daarnaast ook met de samenstelling van het spierweefsel van een betreffende atleet.
 
Allereerst ons energiesysteem, we hebben drie soorten energie:
 
1 Anaerobe alactisch.  Voor korte maximale inspanningen, is eigenlijk nog geen 10 seconden te gebruiken. Gebruiken we als we sprinten of iets heel zwaars proberen te tillen. Dit systeem herstelt snel, binnen een paar minuten ben je eigenlijk bijna weer 100% hersteld. Teamsporters gebruiken dit systeem veel. Gedurende een wedstrijd doen ze veel korte bijna maximale inspanningen, gevolg door relatieve rust.
 
2 Anaerobe lactisch. Eigenlijk het noodsysteem van ons lijf, is ook maar voor korte tijd voorradig, tussen zeg maar 10 en 90 seconden. Dit gebruiken we bij een zware, bij de start net niet maximale inspanning, maar die houden we vol tot we echt niet meer kunnen. Fysiek zeer belastend en het duurt een flinke tijd voor we weer hersteld zijn. Als je dit echt maximaal doet ben je even niks meer waard. Het duurt zeker een half uur voor je weer redelijk hersteld bent maar dan moet je wel fit zijn. Teamsporters bijvoorbeeld gebruiken dit eigenlijk nooit maximaal tijdens hun sport.
 
3 Aerobe systeem. Geeft energie d.m.v. verbranding via zuurstofopname, eigenlijk is dit systeem onbeperkt voorradig, mits we voldoende vocht en voedingsstoffen in ons lijf hebben.

 
1 Voelt aan als een maximale inspanning, je kracht verdwijnt snel na een aantal seconden, kennen we allemaal wel van een sprint trekken of iets heel zwaars tillen.
 
2 Dit systeem kent niet iedereen goed, want dit is zeer onaangenaam als je het maximaal gebruikt. Je spieren branden enorm en voelen bijna als verlamt aan door de grote hoeveelheid afvalstoffen in het bloed ook de ademhaling is volledig ontregeld. Je ziet dit goed bij 1000/1500 meter schaatsers, 400/800 meter lopers en 100/200 meter zwemmers.
Leken denken en zeggen ook vaak, waarom gaat hij niet door? Die ander sprint bij hem weg en hij stopt bijna.  Tja, die kennen dit systeem niet echt uit ervaring. Als je volledig verzuurd bent kun je gewoon niet meer. Hoeveel wilskracht je ook hebt.
 
3 Dit systeem kennen we allemaal, het gaat ten slotte ons hele leven mee ;-). Als we dit maximaal belasten kun je het ongeveer 15 minuten maximaal gebruiken, daarna moet je of stoppen of overschakelen op een langzamer tempo. Op een lager tempo kun je het bijna onbeperkt gebruiken.
 
Nu punt 2, het verschil tussen soorten spiervezels. Grofweg hebben we als mens twee soorten spiervezels in onze spieren, langzame (rode) die vooral werken op zuurstofverbranding en snelle (witte) die werken zonder zuurstof, met gebruik van direct in de spieren opgeslagen energie (anaerobe) energie. Dit is niet geheel correct, er zijn ook hybride vezels die eigenschappen hebben van beide. Voor het gemak laat ik dat even buiten beschouwing.
 
Iemand met veel langzame spiervezels is relatief een goede duursporter maar kan niet of nauwelijks sprinten en zal een trage starter zijn, iemand met veel snelle spiervezels is relatief een goede sprinter, maar voor duurwerk hoef je bij hem niet echt aan te komen. Dit is hoofdzakelijk aangeboren, training kan dat wel een beetje veranderen, maar een echte sprinter zal dat altijd blijven, en een duursporter verander je ook niet.
 
Nu kom ik terug op de vraag waarom de ene sporter nog wel een eindsprint heeft en de ander niet. Echte sprinters kunnen veel energie leveren in korte tijd, ze kunnen makkelijk snel starten maar dan is het vaak ook al snel op. Ze gebruiken veel anaerobe energie, als dat op is moeten ze verder op aerobe energie maar daar hebben ze de juiste spiervezels niet voor. Bij schaatsers bv zie je bijna altijd op de 1000/1500 meter dat de snelle starters in het laatste rondje helemaal stilvallen.
Verder zie je in het algemeen dat niemand op sportafstanden die tussen 30 seconden en 2 minuten duren, kan versnellen op het laatst. Op zijn best kunnen ze hun snelheid redelijk vasthouden, echte sprinters kunnen dat zelfs niet die vallen helemaal verzuurd echt stil.
 
Dan heb je nog wat langere afstanden, zeg maar alles boven de 3 4 minuten. Goed getrainde atleten kunnen dan vaak op het einde nog een versnelling/sprint trekken. Dit komt omdat men relatief langzaam start en een reserve hoeveelheid anaerobe energie achter de hand houdt, zelfs als ze heel moe zijn is het nog mogelijk een laatste eindsprint te trekken. Vooral atleten die niet echt in staat zijn om snel te starten hebben aan de finish vaak nog wat over. Dit zijn de atleten met een goede mix tussen zowel snelle en langzame spiervezels.

Echte duursporters hebben trouwens nooit een sprint, dat zie je vaak bij atletiek wedstrijden over 5 of 10 km, die sleuren rondenlang op kop om in de laatste 2 rondjes helemaal zoek gelopen te worden.
Echte sprinters hebben, klinkt misschien gek, ook geen eindsprint, al voor de finish bereikt is zijn ze te verzuurd om nog te kunnen sprinten, vaak vallen ze al min of meer stil voor het einde van de race bereikt is.
 
Klik hier  voor een race van wereldrecordhouder 1000 meter schaatsen Shani Davis op spectaculaire wijze zijn tegen stander Dimitri Lobkov uiteindelijk ruim voorblijft.
 
 
 
 
Terug naar sporten